Met zijn œuvre wil Juan Carlos Caceres een feit in het
daglicht stellen dat ooit, volgens hem, opzettelijk werd verzwegen
door de officiële geschiedenis : de Afrikaanse roots van de tango.
Caceres zingt met een vurige, hese en schreeuwende stem en speelt
piano en trombone.
In zijn zoektocht naar de voorgeschiedenis van
tango, bewerkt hij milongas, candombes en murgas op een sterk
ritmische basis, niet zonder humor en vol enthousiasme en optimisme.Door
een soort aardsmagnetisme bezeten blijft Cáceres steeds in het oog
van de cycloon.
In mei 1968 strandde hij in Parijs : zou dit louter toeval zijn
? En voordien, in Buenos Aires, zijn geboortestad, was hij de
factotum geweest van het existentialisme. Overdag studeerde hij
Beeldende Kunsten, ‘s nachts ontpopte hij zich als pianist en
trombonist, agitator, waarachtig natuurfenomeen dat dra de ”alma
mater” werd van de mythische kelder van Pasarotus, jazzclub en
epicentrum van alle revolutionaire trends. Het is daar dat beatniks,
yuppies van de oligarchie en toekomstige maoïstische guerilleros
– soms één en dezelfde persoon - mekaar ontmoetten.
Cáceres, tornado – of liever tsunami – van magma en champagne,
hield het roer in handen. Tot op de dag hij de oproep hoorde. In
Parijs ging hij Marie Laforêt begeleiden, stichtte de groepen Malón
en Gotán, wijdde zich aan schilderkunst en tentoonstellingen,
doceerde kunstgeschiedenis en trok op verkenning naar de oorsprong
van de muziek van Río de
la Plata.
Vandaag
de dag geeft hij lezingen over dit onderwerp. Maar bovenal
componeert en zingt hij, met zijn leeuwenstem, de meest
representatieve songs van de onafweerbare heropleving van tango,
candombe, murga en milonga. Cáceres is de meest geïnspireerde,
vurige, onstuimige, hartstochtelijke en gepassioneerde artiest. Deze
“jonge man ”, geboren in 1936, is de referentie bij uitstek voor
elk creatief muzikant, zowel binnen Argentinië en Uruguay als
erbuiten.
De Río de
la Plata
, de breedste stroom ter wereld, vormt de scheidingslijn tussen
twee landen die eertijds één enkel land vormden. In een slok
drinkt Cáceres de wateren van dit estuarium op, en het gebrul komt
tot onze oren : stormachtige Afrikaanse ritmes die hij uit het
verleden extirpeert om het heden te schokken en de toekomst te
bereiden.
Possessed by a strong magnetic tellurism, Cáceres was always to be found within the limits of the hurricane’s eye. He arrived in Paris – was it mere chance? – in May 1968. He was not looking for a beach under the cobblestones, but he found one. In Buenos Aires, where he was born, he had been the factotum of the Existentialist Scene. Student of Fine Arts during day time, trombonist at night, agitator, a force of nature, he became the attraction of the mythic Cueva de Passarato, a jazz club and epicentre of revolutionary trends. There converged beatniks, upper class chicks and future Maoist guerrillas, often combined in a single
individual.
Cáceres, a tsunami of magma and champagne, was the man in charge. Until one day he answered the calling. In Paris he played with the artist Marie Laforêt, founded the bands Malon and Gotan, painted, produced shows, taught History of Art and did research on the roots of the River Plate’s music. Today he still lectures on the subject, but, above all, he composes and sings, with a lion’s voice, the most relevant pieces that mark the rebirth of tango, candombe, murga and milonga. Caceres is inspired, impetuous, passionate and fiery at this. This youngster, born in the 40s, is the reference for creators in and out of Argentina and Uruguay. The River Plate, the widest river in the world, separate these two countries, that once were one. Cáceres drinks these rhythms that Cáceres brings from the past, to move the present and point to the
future.